Interview: longarts Hanna Kuiper-van der Valk vertelt bij DOQ over de invloed van klimaatverandering en luchtvervuiling op de longgezondheid.
Bron: DOQ.nl; artikel door Eveline van Herwaarden, gepubliceerd op 1 oktober 2026. Hieronder staat de volledige artikeltekst.
‘Longartsen zien de gevolgen van klimaatverandering steeds vaker op de poli’
Longartsen zien op de poli steeds vaker patiënten bij wie klimaatverandering en luchtvervuiling invloed hebben op hun klachten. Hogere temperaturen, fijnstof, schimmels en een langer pollenseizoen kunnen bestaande longaandoeningen, zoals astma, verergeren. Longarts Hanna Kuiper van het Amsterdam UMC hoopt dat er maatregelen worden genomen om dit tegen te gaan. “Dit is zorgelijk voor de toekomst.”
“We zien dit al een tijd aankomen, maar de impact van klimaatverandering is inmiddels dagelijks zichtbaar op onze poliklinieken.” Kuiper realiseert zich dat haar verhaal vrij somber is. Ze ziet niet alleen het aantal mensen met longklachten toenemen, maar ook de ernst van de klachten. “Als longartsen waren we ‘seizoenswerkers’ die het in de winter druk hadden, tijdens griepgolven bijvoorbeeld. Maar toen ik in de afgelopen hete zomer weekenddiensten draaide, was het verre van rustig. Ik kreeg veel longpatiënten hier met wie het niet goed ging.”
“Astma wordt niet alleen getriggerd door stress en hormonen, maar ook door externe factoren”
Longarts Hanna Kuiper
Astma verergert
Samen met collega’s schreef Kuiper dit voorjaar een review over de relatie tussen klimaatverandering en astma. Hogere temperaturen en een toenemend aantal allergenen in de lucht verstoren de immuunregulatie en zorgen bij astmapatiënten voor vernauwing van de luchtwegen en sterkere ontstekingen. “Astma wordt niet alleen getriggerd door stress en hormonen, maar ook door externe factoren.” Externe triggers zijn bijvoorbeeld temperatuurovergangen, hitte en pollen. Bij warm en windstil weer hebben mensen meer last van luchtvervuiling, van de smog die blijft hangen. In warme zomers wordt er ook vaker gebarbecued en ontstaan er meer bosbranden. Rook en fijnstof triggeren de longen en zorgen ervoor dat de luchtwegen gaan knijpen en ontstekingen ontstaan. “Mensen met astma worden daardoor benauwd en kortademig.”
Langer pollenseizoen
Kuiper ziet ook een toenemend aantal klachten door allergieën. Ze legt uit dat klimaatverandering al enige tijd tot verlenging van het pollenseizoen leidt. “Vroeger zei je bijvoorbeeld: ‘U heeft last van de boompollen, die zijn er van februari tot mei’. Of van graspollen in de maanden mei tot en met september. Maar nu loopt het pollenseizoen bijna het hele jaar door.”
Mensen hebben hierdoor langer last van hun allergieën. Luchtvervuiling zorgt er volgens Kuiper ook nog eens voor dat bepaalde allergenen meer klachten geven. Net als toenemende extreme weersomstandigheden. “Onweer gaat bijvoorbeeld gepaard met veel wind, regen en elektriciteit, waardoor pollen opzwellen, openbarsten en zo dieper de luchtwegen ingaan. Dat zorgt voor extra klachten en triggert longziekten, zeker bij astma.”
Warmte en kakkerlakken
Op de poli klaagden vrijwel alle patiënten deze zomer over de hitte. Door warmte ervaren zij meer benauwdheid, legt Kuiper uit. “Ze hebben minder het gevoel dat ze frisse lucht kunnen inademen. Vooral inspanningen zijn dan moeilijk. Nu de temperaturen in Nederland steeds vaker richting de 36 graden gaan, zullen deze klachten vaker voorkomen. We kunnen mensen wel adviseren om binnen te blijven en zich minder in te spannen, maar het buitenklimaat beïnvloedt ook het binnenklimaat en bewegen is ontzettend belangrijk. In sommige huizen was het dertig graden, dat is niet te doen als je al benauwd bent. Goed ventileren met een ventilator helpt, maar we hebben ook vaker en agressiever moeten behandelen. Dat betekent puffers ophogen en soms een prednisonkuur voorschrijven.”
Ook op minder voor de hand liggende terreinen zijn de gevolgen zichtbaar. Door de warmte komen er meer kakkerlakken voor, waarvoor patiënten allergisch kunnen zijn. Net als andere allergieën kan dat benauwdheidsklachten geven. Klimaatverandering zorgt ook voor meer zware regenbuien en overstromingen. “De luchtvochtigheid neemt in zulke periodes toe, waardoor meer schimmels ontstaan. En schimmels kunnen de luchtwegen irriteren.”
“Aan de ene kant trigger je de ontsteking en aan de andere kant probeer je het met medicatie te remmen”
Dweilen met de kraan open
De verwachting is dat de klachten van mensen met luchtwegziektes zoals astma en COPD alleen maar zullen toenemen, in frequentie en in ernst. Dat zal vaker longfunctieschade geven. Er gaan ook bij meer mensen luchtwegziekten ontstaan. Bosbranden en fijnstof geven bovendien een verhoogde kans op maligniteiten. “Dat betekent meer druk op de poliklinieken, de SEH en de verpleegafdelingen, maar ook meer medicatiegebruik. Eigenlijk is het dweilen met de kraan open. Aan de ene kant trigger je de ontsteking en aan de andere kant probeer je het met medicatie te remmen. Veel beter is natuurlijk als we die toename in triggers kunnen vermijden, maar dat is niet makkelijk.”
Meer actie
Ten slotte wijst Kuiper op de wisselwerking tussen luchtvervuiling en klimaatverandering. Luchtvervuiling op zich heeft al een effect op luchtwegen en longen, maar draagt ook bij aan klimaatverandering. Op haar beurt maakt klimaatverandering sommige vormen van luchtvervuiling nog erger. “Als individu heb je een klein beetje invloed, bijvoorbeeld door elektrisch te gaan rijden, maar het is natuurlijk vooral een politiek probleem. Luchtvervuiling en klimaatverandering hebben op vele vlakken invloed op onze gezondheid. Ook op het werk bijvoorbeeld. Denk aan toenemende expositie door branden bij brandweermannen en huidkanker bij bouwvakkers.”
Ze maakt zich ernstig zorgen en vindt dat er meer actie nodig is. “Misschien moeten we ons als artsen wat politieker opstellen. Wij zien de gevolgen van luchtvervuiling en klimaatverandering dagelijks op onze poliklinieken en mogen ons daar vaker over uitspreken.”
Referentie: Van der Valk JPM, et al. Climate change and asthma: work-related risks and planetary implications. J Occup Environ Med. 2026;68:198-202.

